|
Dit boek gaat over de dagelijkse beslommeringen van een groepje Houthalers die tot het bittere einde meermalen per week vanuit de Haagse Transvaalwijk naar het Spergebied Scheveningen trok.
Ondervoed, hongerig, in kleren tot op de draad versleten.
Stadskinderen die op klompen moesten leren lopen in een stad die in nagenoeg middeleeuwse leefomstandigheden was teruggevallen.
Zonder gas, licht, verwarming en de eerste levensbehoeften, en waar het huisvuil niet meer werd opgehaald.
Het boek gaat ondanks de ellende waarin ze opgroeiden ook over hun ontwakende seksualiteit.
Over de verstoorde verhoudingen tussen deze veel te vroeg volwassen geworden kinderen en hun ouders.
Verhoudingen die veelal nooit meer echt herstelden, mede omdat volwassenen na de oorlog meenden dat men de jeugd weer als kinderen diende te benaderen.
|